|
| |
In Galilea:
Op primitieve, Middeleeuwse schilderijen wordt de Here Jezus aan
het kruis vaak omringd door Vlaamse boeren. En Hij staat op in een
Jeruzalem, dat als twee druppels water lijkt op de stad Gent of Brugge
uit die tijd.
Wij
verbazen ons daar soms over. Dat klopt toch niet met de feiten ? Nee, dan
de foto die u ook hier op de voorkant ziet. Die is echt verantwoord ! Ze
wisten niet beter. O nee ? Op grond van wat Mattheüs ons vertelt,
ben ik het anders gaan zien. Ze begrepen het juist haarfijn ! De Here Jezus
is gekruisigd: vòòr ons ! Christus is opgestaan: ù tot
zegen. Dàt drukken al die schilderijen uit. Het evangelie speelt
zich niet af op een verre planeet, Maar midden in onze eigen leefwereld.
De Opgestane
zegt dat zelf. Eerst is het de engel nog die de beide Maria’s zegt dat ze Hem in Galilea zullen zien. (Matth. 28:
7) Maar even later, als Christus vlakbij het graf de vrouwen onverwachts
verschijnt, en zij Hem bij de voeten grijpen en aanbidden, sluit
Hij zich daarbij aan. Hij zegt: ‘Wees niet bang. Ga mijn broeders
vertellen dat zij naar Galilea moeten gaan, dáár zullen
zij Mij zien’. (vs.10) Waarom toch dat herhaalde ‘Galilea’ ?
Is dat nu zo belangrijk ?
Galilea is de
streek waar de discipelen vandaan komen. Daar heeft de Here Jezus
hen geroepen; de eersten vanachter de netten aan de
oevers van het meer. De Heer belooft hen dus ‘thuis’ te
zullen verschijnen. In hun vertrouwde omgeving. Wat het betekent
dat Christus is opgestaan, hoe verrukkelijk nieuw alles geworden
is, zullen ze daar ontdekken. ‘Dáár zullen zij
Mij zien’. Dat houdt ook in opdracht in !
‘Nabij u is het woord, in uw hart en in uw mond, om het te volbrengen’,
zegt Mozes al. Het evangelie wordt ons ‘thuis’ bezorgd om er in het
dagelijks leven, in contact met de mensen en dingen die we tegenkomen, iets mee
te doen. Dat is knap lastig. ‘t Is makkelijker als ‘toerist’ een
goed figuur te slaan.
Maar ‘t mooiste vind ik dat ‘Galilea’ van ‘omcirkelen’,
of ‘in een kringetje ronddraaien’ komt. Dat doen we vaak.
Daar zijn we zelfs steengoed in. In rondmalen, piekeren en tobben,
en er maar niet uitkomen ! Een draaikolk die je bij je benen grijpt.
Een isoleercel waarin je stik alleen zit opgesloten.
In dat Galilea van ons belooft de Here Jezus Christus ons op te zoeken
en bevrijden. Hij gaat ons voor. Hij is er al eerder dan wij. Wij
zijn dus nooit
alleen in onze problemen. ‘Houd dit voor ogen: Ik ben met jullie, alle
dagen.’ (vs.20)
ds. M. Treuren
15 april 2011
Vasten?
We
beginnen dit stuk met een duik in de historie. Maar uw borst maar
nat !
Onderwerp is:
het vasten. Calvijn heeft zich daar in de 16de eeuw fel tegen verzet,
als een vorm van ‘werkheiligheid’. ‘Laten
we ons niet inbeelden dat we door goede werken de hemel kunnen verdienen
! Wij mogen dankbaar leven, uit Christus’ genade.’
Het typische is dat hij zelf, en zijn directe volgelingen, heel eenvoudig
en sober leefden. Sober, niet somber, dat is verschillend. Een christen hoort
geen materialist te zijn, maar zich te richten op het eeuwige leven. Dat
eeuwige leven is niet iets voor later, dat begint nu al. In dit verband schiet
me een prachtige tekst van Paulus te binnen.
‘Het
Koninkrijk Gods bestaat niet in eten en drinken,
maar in rechvaardigheid, vrede en blijdschap,
door de heilige Geest.’
(Rom. 14, vs. 17)
In Genève
leidde de bourgeoisie een weelderige levensstijl. Diners bestonden
niet zelden uit tien, twaalf gangen. Met, sorry,
braakmiddelen tussen de rondes door om weer een beetje plek te krijgen
! Calvijn kreeg het voor elkaar dat overhead bepaalde dat het na
vijf gangen klaar moest zijn.
‘Less
is more’
In afwijking
van Calvijn kenden onze Gereformeerde vaderen uit de 17de en 18de
eeuw wel vasten- en boetedagen. Niet de Veertigdagentijd.
Nee, overstromingen of juist droogte, en hongersnood of epidemieën,
de invallende vijand, kortom gebeurtenissen uit het leven van ons
land en volk gaven daar geregeld aanleiding toe. Ook persoonlijke
lotgevallen konden tot vasten en bidden leiden. Christen zijn, wist
men, betekent strijd.
Dat is helaas
ontzettend weggezakt. Strijd ? Waken, bidden en vasten ? Waarom
zou je zo mal doen ? Nou, om te worden die je in Christus
al bent. Een goed en gaaf mens, zoals God u heeft bedoeld. ‘t
Is in onze tijd een hele kunst jezelf niet constant te verwennen.
Of zoals we ook vaak doen, je te verdoven. ‘Ik ben Bizzy, de
bezige bij !’ ‘Ik heb het constant druk’. Alleen
het Bijbel lezen al. Wie doet dat nog ? Ik bedoel de grote mensenbijbel
! Bestaan er nog gemeenteleden die dat geregeld doen ? Ouderlingen,
diakenen die zich zo toerusten tot hun grote opdracht ?
Ik wek u op.
Ik daag u uit. Om u in deze tijd tot aan Pasen te matigen. Om te
consuminderen. Denkt u ook aan de computer, de TV,
de auto, het mobieltje, SMS-en, enz.. Denkt u er vooral zelf overna.
Minder verstrooiing dus. Maar mèèr gebed. Mèèr
Bijbellezen. Mèèr goede werken die uw naaste helpen.
Mèèr hoop, mèèr vreugde.
En op zondag ? Vrolijk eten drinken ! De zondag staat in het teken van Pasen,
het licht en de overwinning van onze Heer Jezus Christus.
ds. M. Treuren
4 maart 2011
‘Zij zag het kistje in het riet en zond een slavin om het
te halen.’ (Ex. 2, vs.5b)
Dit stukje begint een beetje stroef, maar probeert u even door
te bijten. Want dan weet u niet wat u proeft ! Ik hoop dat het u
plezierig verrassen zal.
Het
verhaal kent u, Mozes in het biezen kistje. De dochter van Farao
baadt zich zoals iedere morgen, wanneer het nog stil is, in de rivier.
Om zichzelf van de afgodendienst te reinigen, las ik. Ze deed daar
met tegenzin in mee. Zodra ze het drijvende kistje met het kind erin
ontdekt, geeft ze haar slavinnen opdracht het te halen. Haar meisjes
protesteren ferm: ‘Dat een gewoon mens het bevel van Farao
durft trotseren is tot daaraantoe, maar als één van
zijn zonen of dochter de spot met hem drijft ! Wat moet er dan van
zijn huis worden ?’ Op dat moment grijpt de engel Gabriël
in, vertelt de overlevering. Hij ‘slaat’ ze tegen de
grond. Dat betekent: de oppositie besterft haar slavinnen op de lippen,
ze zeggen opeens niks meer.
‘Bithja’, -zo heet Farao’s
dochter-, duwt moedig straf riskerend, het gebod opzij en laat
zich leiden door erbarmen.
Dat is eigenlijk wat de Eeuwige voortdurend doet. Denkt u maar aan
de kern van het Evangelie. Die is: dat de Here Jezus Christus, in
opdracht van God, laat zien dat de vervulling van de wet liefde is.
Barmhartigheid van God.
Maar nu wordt
het spannend. Je kunt ‘slavin’ ook met ‘hand’ vertalen.
In dat geval strekt Bithja haar eigen hand uit om het kistje te pakken.
Alleen, die hand was tekort ! Ze kon er niet goed bij. Toen gebeurde
er een onverwachts wonder. Haar hand groeide. Haar arm werd een el
of wat langer zodat ze het kistje toch grijpen kon. (Ook dat zit
in het woordje ‘hand’ of ‘slavin’, ‘t
is nauw verwant met ‘el’.)
U moppert misschien: ‘Is dat uitleggen ? Je legt er iets
in ! Zo kan ik het ook’. Moet u vooral doen, want is dit niet
reuze bemoedigend ?! Als onze handen tekort schieten, als wij niet
in staat zijn, iemand te helpen, maar we komen toch in actie. We
proberen het toch, we gaan aan het werk. Dan zal de Eeuwige u helpen
! Dan helpt Hij u uw beperkingen en tekort te overstijgen.
Daar mogen we op vertrouwen: zijn hand is niet tekort om te verlossen
!
ds. M. Treuren
16 januari 2011
Surprises
Sinterklaas
!? ‘Dat is iets wat de grote mensen hebben bedacht. Dat spelen
we met elkaar.’ Mòet je dat zeggen ? Zet dat
geen domper op het feest ? Totdat vriendjes me uit de droom hielpen,
ik was misschien al acht jaar, heb ik vast in de goedheiligman geloofd.
Zelfs toen ik net van een Sinterklaasviering in een winkel vandaan
kwam en op straat in een optocht verzeild raakte, wist ik dat ‘in te passen’.
Toch weet ik van kinderen in wie er iets breekt als ze ontnuchterd worden.
Hun vermogen
kinderlijk te vertrouwen, zich voluit te geven, lijdt schade. ‘Ik voelde me bedrogen’. Wil je dit voorkomen,
dan lijkt het me beter vanaf het begin kinderen uit te nodigen mee
te spelen: ‘doe je mee ?’ ‘t Gekke is dat dit totaal
geen afbreuk hoeft te doen aan het plezier dat ze eraan beleven.
Want hoe gaat dat bij een spel ? Je gaat erin op. Je vergeet de tijd
en ruimte. ‘t
Is net als bij het toneel. ‘t Is niet interessant wie de acteurs ‘echt’ zijn:
je gaat op in hun spel! Kinderen switchen heel behendig tussen fantasie en
realiteit. Dat is geen probleem.
Bij een feest
horen surprises. Dat is bij grote religieuze feesten ook het geval.
Zo vieren de Joden Purim. Het ‘pur’, het
lot dat tot de ondergang voerde, wordt onverwachts door God gewend.
Daarom verrast men ook elkaar. Maar denk ook eens aan de pakjes onder ‘onze’ kerstboom.
God komt tot ons in de gave van het kind. Dat is iets verwonderlijks
! Vanuit die vreugde is het leuk om iets van jezelf te geven.
Alleen, verrassen
is iets anders dan verwennen. Kinderen krijgen van van Sinterklaas
soms zo ontzaglijk veel dat het gênant
is. Is dat nog wel leuk ? ‘Ze krijgen meer dan waarmee ze ooit
spelen !’ Waar komt toch dat mateloze verwennen vandaan ? Ik
proef er de behoefte in om iets te compenseren.
Om nog even terug te komen op Kerst. Wanneer de vreugde om het Christuskind
het middelpunt vormt, loopt het met de kerstcadeau’s zo’n vaart
niet. Zolang het spirituele -het vertellen van verhalen, zingen en bidden,
huiselijke rituelen- in het opvoeden de boventoon voert, gedraagt het materiële
zich bescheiden. Maar leef je niet uit een traditie (welke dan ook), dan
slaat het verwennen snel keihard toe. Je wilt toch ìets overdragen
?
Ook de Sint staat in een traditie. Bij Sinterklaas horen aankomsten
en onthalen, perpernoten en snoepgoed en een verhaal dat zich eindeloos
leent om uit te spinnen. Oerhollands. En natuurlijk: verlanglijstjes
! Maar het leukste zijn de suprises, bij voorkeur met gedicht. Houd
die traditie in ere.
ds. M. Treuren
27 november 2010
Engel
aan het ontbijt
‘Vergeet
de gastvrijheid
voor vreemdelingen niet;
want daardoor hebben sommigen
ongemerkt engelen te gast gehad.’
(Hebr. 13 vs.2)
Bij
die ‘sommigen’ denk je bijna vanzelf aan Abraham. Abraham,
van wie verteld wordt dat zijn tent naar alle zijden openstond. Eigenlijk
kan dat niet; je moet eens proberen je tent zo op te zetten. Stort
hij in ! Bedoeld wordt dat Abraham ieder mens onbevangen tegemoet
trad, zonder vooringenomen of bevooroordeeld te zijn. Er was voor
ieder ruimte in zijn hart, en wat misschien nog moeilijker is: onder
zijn dak van zijn tent.
Heel anders dan bij Abraham vergaat het de engelen in Sodom. De
traditie vertelt dat ze in Sodom, -een stad van overvloed en onbehagen-,
een bed hadden waarop ze alle gasten dwongen te slapen. Wie te lang
was, werd ingekort. En wie een beetje te kort was, uitgerekt. Iedere
vreemdeling moest zich aanpassen aan de geldige maatstaven. U begrijpt
dat niemand een bezoek aan Sodom kon navertellen.
In de griekse mythen duikt dit bed ook op. Het procrustusbed. En
wie het nieuws in Europa een beetje volgt, ziet dat die bedden op
dit moment niet
aan te slepen te zijn. ‘t Is in korte tijd een rage geworden !
Ook op het persoonlijk vlak is Abraham een voorbeeld. Zoals hij
zich, samen met Sarah, inspant om zijn niet verwachte en ook niet
uitgenodigde gasten te onthalen. Dat is echt ontroerend. Abraham
is vrijgevig en mededeelzaam. Hij is niet jaloers, angstig om tekort
te komen; eerder had hij Lot het beste stuk land laten kiezen. Abraham
vertrouwt op God en beleeft vreugde aan de ontmoeting met mensen.
Dat kunnen wij
ook doen. Helemaal nu er in Pijnacker veel slaapplaatsen worden
gezocht voor de Europesche jongerenontmoeting in Rotterdam.
U heeft er inmiddels al het nodige over kunnen horen. Wanneer u aarzelt,
denkt u er dan nog eens overna. ‘Vergeet de gastvrijheid niet
!’ Je weet niet wie je in huis haalt ! U zegt: nou ja, studenten
of werkende jongeren. Zijn dat nou engelen ?
Weet u, ‘t woordje ‘engel’ betekent heel simpel ‘bode’.
Een engel hoeft geen vleugels te hebben, hij kan slecht geschoren
zijn en een stoppelbaard hebben. Toch kun je ongemerkt met engelen
te maken krijgen. Boden die nieuws meebrengen uit hun eigen land,
-wat weten wij nu van Portugal, van Bulgarije ? Boden die je iets
van verbondenheid laten voelen en vreugde in de Heer.
Je weet het niet ! Het kan een ongelofelijk verrijkende ervaring
zijn, en belangrijk (!) voor onze jongeren. ‘Vergeet u de gastvrijheid
niet.’
ds. M. Treuren
29 oktober 2010
Kleine oorzaken
Mozes
zal ongeveer drie jaar oud geweest zijn, toen hij op schoot bij de
prinses, omringd door de hele hofhouding, pal naast haar vader Farao
zat. Het kind was mooi, niemand kon z’n ogen van hem afhouden.
Ook de Farao kustte en omhelsde hem. Plotseling greep de jongen naar
de kroon van Farao en zette die op zijn eigen hoofd.
Farao schrok enorm en vroeg zich af of dit soms de voorspelde verlosser
van de Joden zou zijn. Hij raadpleegde daarom zijn adviseurs. Bileam
zei: ‘Hij
is het, en je moet hem zonder pardon doden !’ Jethro, de latere schoonvader
van Mozes zei: ‘Hij is het inderdaad, maar het is je niet toegestaan
iets te doen’. Direct daarop vluchtte hij weg. Job sprak tot slot: ‘Ik
weet het niet, we zullen zien’.
Daarop werd er een proef genomen. Er werd een bord met goud en een bord glinsterende,
brandende kolen voor de jongen neergezet. Zou hij, net als alle kinderen,
zijn hand naar het vuur uitsteken, dan was hij onschuldig maar greep hij
naar het goud dan handelde hij helemaal niet argeloos.
Onmiddellijk strekte de jongen zijn hand uit naar het goud. Maar Gabriël
kwam en duwde zijn hand naar de vurige kolen die hij in z’n mond stak.
Hij schroeide z’n tong, waardoor hij levenslang moeilijk en stotterend
sprak.
Zijn leven lang zou Mozes
herinnerd worden, bij alle woorden die hij sprak, dat de HEER hem
had gered. (Zie: Ex. 4, vs.10 !) Ik moest
denken aan ‘de doorn in het vlees’ van Paulus: een stekende
pijn, iets dat hem gedurig kwelde. Paulus werd er niet van bevrijd.
De Here Jezus zei: ‘Mijn genade is voor jou genoeg, want de kracht
wordt in zwakheid volbracht.’ (Zie: II Korinthe 12, vs.9) Hoe
groot de ontfermende kracht van God is, ontdek je pas goed wanneer
je op je grenzen stuit.
Opvallend is de rol van Job. Job wil zijn handen niet branden, hij houdt
zich op de vlakte. In de Joodse traditie wordt er verteld dat hij om die
reden later met dat doffe lijden te maken zal krijgen. Juist omdat hij puntgaaf
wil blijven, raakt hij in de kreukels. Voor wie niet durft te investeren,
dreigen eenzaamheid en getob. Uit het je niet willen binden, komen vele van
onze moderne neurosen voort !
Dat is iets om aan het
begin van een nieuw seizoen te bedenken. De HEER houdt zich niet
afzijdig. Hij stuurt (nog steeds) zijn engel uit
! Engelen, dat kunnen ook mensen zijn die je inspireren om je goddelijke
opdracht in deze wereld te vervullen. Wat is die opdracht ? Christus
zegt: ‘God liefhebben boven alles en je naast als jezelf’.
Hij belichaamt die liefde. Hij schept die liefde in ons ! Laten we
ons niet, als Job in deze midrasj, afzijdig houden. Want dat krijg
je als een boemerang terug. Laten we onszelf juist geven.
ds. M. Treuren
20 augustus 2010
‘En er
geschiedde haastelijk uit den hemel
een geluid, gelijk als van een geweldigen, gedreven wind,
en vervulde het gehele huis waar zij zaten.’
(Hdl. 2, vs. 3)
Dit vers
komt uit de Statenvertaling die op dit punt alle latere vertalingen
in precisie en kracht overtreft. Neem die herhaalde
letter ‘g’, prachtig ! Je moet proberen je niet te ergeren,
maar te genieten van die stroeve, sonore woorden. In dit stukje wil
ik u uitnodigen ze op de tong te nemen om hun smaak te proeven.
Neem dat ‘haastelijk’. In de NBG (uit
1951) staat er ‘eensklaps’, in de NBV (uit 2004) ‘plotseling’.
Dat er iets onverwachts, en verrassends gebeurt wordt terecht benadrukt.
Maar in dat ‘haastelijk’ klinkt nog iets anders door. ‘Er
is haast bij’, zeggen we soms, als we op iemand een dringend
beroep doen. ‘Haast U, o God, om mij te verlossen’, luidt
de aanhef van Psalm 70. Er is haast in de hemel, zegt het Pinksterevangelie.
Gods Geest zit vol ongeduld, Hij is op weg om u te helpen !
In kinderbijbels
wordt soms verteld dat het opeens begon te waaien in dat huis. Ze
moesten de ramen dichtdoen en de deuren
sluiten vanwege de tocht. Maar dat staat er niet. Nee, ze hoorden een
geluid ‘als van’ een sterke wind. Daar leek het nog het
meeste op. Net zoals er tongen waren ‘als van vuur’. ’t
Is bij wijze van vergelijking. Maar eigenlijk gaat het om iets heel
mysterieus !
En dan
die ‘geweldige, gedreven wind’.
In dat geweldige komt iets van de kracht, de overmacht van de Heilige
Geest tot uitdrukking. Wanneer je met je auto door Flevoland rijdt,
zie je daar een stel reusachtige windmolens staan. De kracht van de
wind wordt benut om schone energie op te wekken. Zo zou je de Geest
de groene stroom van God en van Christus kunnen noemen die u gratis
ontvangen kunt.
De kracht van die Geest is geweldig groot. ’t Is zonde, u doet zichzelf
enorm tekort daar geringschattend over te denken. ‘Hem nu, die blijkens
de kracht die in ons werkt, bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij
bidden of beseffen, Hem zij de glorie’, schrijft Paulus lofprijzend in
een brief. (Ef. 3, vs.20-21)
Tot
slot dat ‘gedreven’. In andere vertalingen staat er maar
zwakjes ‘windvlaag’. Sukkels ! Een windvlaag gaat nergens
heen, heeft geen doel. ‘Hij handelde in een vlaag van verstandsverbijstering
en sloeg de hele boel aan gort’. Nee, de Heilige Geest heeft
een ‘drive’. ’t Woordje ‘geest’, in het
Hebreeuws, betekent tegelijk ‘wind’ en ‘richting’.
De Geest drijft mensen de goeie kant uit. De weg van Gods geboden.
Naar het land van de toekomst. Mensen die uit zichzelf stuurloos zijn,
dobberen op zee,
blaast Hij krachtig de wind in de zeilen. Volkomen futloze figuren ontvangen
ondanks zichzelf esprit en élan. Stelt u zich in Gods Naam voor die
Heilige Geest open !
ds. M. Treuren
11 juni 2010
‘..
En als de deuren gesloten waren, om de vreze der Joden, kwam Jezus,
en stond in het midden en zeide tot hen:
Vrede zij ulieden!’
(Joh. 20, vs.19 Statenvertaling)
Opvallend.
De discipelen blijven in gebreke. Zij hebben de Here Jezus in de steek
gelaten en zijn gevlucht. Erger is misschien nog wel dat er niet één
is die vertrouwd heeft op wat Hij wel drie keer had voorzegd. Dat Hij
niet alleen gekruisigd zou worden, maar ook dat Hij op de derde dag
zou opstaan uit de dood. Die verwachting speelt bij geen enkele van
de leerlingen ook maar de geringste rol.
De vrouwen gaan naar het graf om Hem te bewenen. Om Hem te zalven.
Twee van zijn discipelen, Petrus en Johannes, om te kijken wat zij
zich in hun hoofd
hebben gehaald. Maar niemand die zich vroeg op die Paasmorgen in de tuin bevindt
om Hem jubelend te onthalen. ‘Wees gegroet, gij eersteling der dagen’,
dat lied komt later pas.
In plaats
daarvan: ‘vreze voor de Joden’ !
Dit is een ziektekiem die de kerk de eeuwen door zal besmetten. Hier
liggen de wortels van het antisemitisme. Zelf, als volgelingen van
de Heer verstek laten gaan, en je wrevel daarover op de Joden projecteren.
Een zondebok zoeken voor je eigen tekortschieten !
Ik meen dat dit mechanisme nog steeds niet is uitgewerkt. In de felle
discussies over de politiek van Israël speelt ons dit heden ten dage opnieuw parten.
Vòòr de oorlog zijn Joden aan de grenzen van ons land op grote
schaal teruggestuurd. Omdat het ons geld dreigde te kosten, zijn ze de hel
van de kampen ingestuurd. Na de oorlog konden de terugkerende Joden rekenen
op de grootst mogelijk onverschilligheid en onwil om geroofd bezit terug te
krijgen. Ons land telt vele ‘bewariërs’. Men lezen ‘de
kleine sjoa’ van Isaac Lipschits. Over de oorlog durf ik hier helemaal
niets te schrijven.
Toch schijnt
de kerk, die op geen enkele manier haar jammerlijke tekortschieten
in dezen heeft erkend, de aangewezen instantie
te zijn om Israël de les te lezen. Wonderlijk ! Ik schaam me voor
de brief die de PKN de staat Israël heeft gestuurd. Niet dat er
geen onrecht in de bezette gebieden geschiedt, geen idiote dingen.
Maar wat weten we er precies van? Wat het achtuurjournaal ons laat
zien?
En vooral: wie zijn wij? ‘Jullie denken altijd dat we in de kampen werden
overgoten met liefdeselixer. Nou, we werden er vergast’, schrijft Amos
Oz ergens.
Is het niet tragisch dat terwijl onze kerk verdwijnt,
-en niet in staat zijn vertrouwend te handelen, maar totaal verlamd
zijn- , we nog wel de fut hebben ons op te winden over de schuld van
anderen? De Joden. Evengoed de Islam! Het industrieel leegvissen van
geweldige visgronden voor de kust van Afrika door ons land: een milieumisdaad
en beroving van de allerarmsten, wie hoor je daarover in onze kerk?
Zou het geen heilzame gevolgen kunnen hebben, als we eerst onszelf
bekeerden?
ds. M. Treuren
9 april 2010
Gods grote ‘ja’
‘Er zijn studenten die hebben onder hun bed
een bord liggen. Op de éne kant staat ‘nee !’ en
op de andere kant ‘tegen’. Wanneer ze ‘s ochtends
de straat opgaan, nemen ze dat bord met zich mee om ergens te gaan
demonstreren.’ Zo hoorde ik het ooit gekscherend in een preek,
ongeveer 25 jaar geleden. Het was de tijd dat het geweldig polariseerde
in ons land. En dat er bijna iedere dag demonstraties waren. Dat is
intussen allang niet meer zo. Helaas ! Hoe erg moet het worden in de
verpleging en thuiszorg (geen tijd, geen geld, geen personeel), voordat
iemand de straat opgaat ? We zijn in Nederland topproducent kinderporno.
Wie slaakt er een kreet van afgrijzen?
Er kunnen
dus goede, gezonde redenen bestaan om ergens hartgrondig op tegen
te zijn. Maar vaak, en daar duidt die ironische
uitspraak uit een preek die ik hoorde op, is het uit gewoonte dat mensen
dwarsliggen. ‘t Is makkelijker met het verkeerde been uit de
bed te stappen, dan je beste beentje voor te zetten. Gemopper
en geklaag, verongelijkt gepraat van mensen die hun zin niet krijgen:
voor je ‘t weet doe je volop mee. U moet er ook eens op letten
hoe sterk negatieve gemeenschappen zijn ! Dat mensen elkaar vinden,
niet omdat ze zich ergens positief voor inzetten, maar tegen iets of
tegen iemand zijn, kan een oersterke band smeden. Dat is ook altijd
een gevaar in de kerk dat de gemeenschap der heiligen (roddelen !)
bedreigt en uitholt.
Kerstmis
vieren is tegen die ziekte het grote medicijn. Kerst is Gods grote ‘ja’ tegen deze totaal ontspoorde en
verlopen wereld ‘Zie, Ik verkondig u grote blijdschap (..), zegt
de engel, u is heden de Heiland geboren, Christus, de Heer, in de stad
van David’. ‘t Woordje blijdschap hangt samen met ‘uitbotten’, ‘uitspruiten’.
Zoals de bomen nu nog kaal zijn, maar in de lente zullen uitlopen.
Zoals er door bloemen en bloesems die in het voorjaar opbloeien een
complete metamorphose plaatsvindt. Je weet het wel, maar het verwondert
je ieder jaar weer wanneer het zover is. Zo zal zal dit goddelijk kind
ongekende vreugde brengen en licht verspreiden. God komt tot ons in
dit kind. Hij zoekt ons op. Hij zegt ondanks alles ‘ja’.
Dit ‘ja’-zeggen doortrekt het hele optreden
van de Here Jezus. Hij verzet zich alleen fel tegen schijnheiligen
en ook rijken laat Hij flink schrikken. Maar mensen die bekneld geraakt
zijn en die vaak aan zichzelf te danken hebben dat ieder ze met de
nek aankijkt, neemt Hij zonder een spoor van verwijt in liefde aan. ‘Christus,
de Heer’ heeft voor iedereen een goed woord. Hij ìs Gods
goede woord. Hij is Gods machtige, alles overwinnende ‘ja’ ten
opzichte van ons en Gods ‘nee’ tegen de duisternis.
En wie
dat ontdekt, leeft op uit dit ‘ja’.
De grondtoon van je leven verandert. Van mineur in majeur. Van kritisch
en scherp zijn, afwachtend en niet van plan je te verbinden, naar mild
en bescheiden worden. In principe treed je de wereld, de mensen tegemoet
met een ‘ja’. We mogen het in vreugde de Heer nazeggen
en nadoen.
ds. M. Treuren.
11 december 2009
‘Want
hij is als een boom, geplant aan waterstromen
die zijn vrucht geeft op zijn tijd,
welks loof niet verwelkt ..’ (Psalm
1, vs.3)
Dat wordt
gezegd over de man die de Torah spèlt.
Zoals een kind dat net leert lezen ingespannen de letters spelt, de
woorden fluistert. Een kind op school kan lezen, alsof zijn leven er
vanaf hangt ! Dat is ook de grondhouding die ons beschreven wordt in
Psalm 1. De gewenste basispositie. Maakt u zich die eigen ! In het
Hebreeuws wordt over ‘mediteren’ gesproken, ‘de dag
door en de nacht’. (vs.2)
Hij
die dàt doet ‘is als een boom, geplant aan waterstromen’.
Eigenlijk staat er: ‘verplant’. Van zoute, zilte grond
getransplanteerd. Je in de Torah verdiepen betekent dat je wordt verpoot,
verplaatst. Je slaat je wortels uit op een andere plek.
Je zoekt het niet, zoals voor de hand ligt, in je werk of in je gezin.
Ook niet in sport en spel of allerlei dingen waar je van geniet. Nee,
je zoekt
het èèrst in de Torah. ‘Zoekt eerst Gods Koninkrijk en
zijn gerechtigheid’, zegt de Here Jezus. Dat je daar tijd en energie
voor uittrekt, spreekt niet vanzelf. Dat is je dagelijks bekeren !
Er staat
dus: ‘hij is als een boom, hèrplant
aan waterstromen’. Waarom ‘waterstromen’, in het
meervoud ? Omdat de Torah een onuitputtelijk reservoir van water bevat.
Gods Wet is een bron die zichzelf aanvult en ververst, en die nooit
opdroogt. Wie daaruit put, ontdekt dat ‘stromen van levend water
uit zijn binnenste vloeien’.
In het Hebreeuws komt ‘stromen’ van een werkwoord dat ‘splitsen’, ‘verdelen’ of ‘apart
gaan’ betekent. De Torah is een éénheid, ‘t is één
geheel. Maar is toch opgesplist en verdeeld in vele aparte geboden en beloften.
Waarom ? Omdat we ook leven in een soms verbluffende, en vaak bedrukkende veelheid. ‘Ik
ben geen duizendpoot. Denk je soms dat ik kan heksen ?’ Gelukkig wil
God ons in al die dingen helpen. Hij wil de Torah, die door de Here Jezus Christus
is vervuld, in ons doen overvloeien.
Opdat we niet niet verdorren. En rancuneuze, verongelijkte
mensen worden, waar ons land en onze landspolitiek in grossieren !
Mensen die door tegenvallers, tegenspoed verbitterd zijn geraakt. En
die dat anderen betaald willen zetten.
Nee, de man die Gods Wet overpeinst is als een boom, ‘die zijn vrucht
geeft op zijn tijd’. Je verlies kunnen nemen is zo’n vrucht. Je
geduld bewaren, elkaar kunnen verdragen. En op ‘zijn tijd’ sorry
kunnen zeggen ! Dat is moeilijk. Een Hollander kan het nooit helpen. Hij bedoelde
het zo goed. De anderen werkten tegen. Naïef en verbaasd dat allemaal
zo tegenvalt gaat hij door de wereld. Dat verandert dus als je ‘lernt’ !
‘En zijn blad valt niet af’, vertaalt
de Naardense Bijbel het slot. Door je te verliezen in de Torah word
je een evergreen. Dat is iets sprookjesachtigs ! In Jeremia 17 staat: ‘Hij
merkt het niet als er hitte komt, -de hitte des daags, waarin je op
de proef gesteld wordt-, (..) en in een jaar van droogte heeft hij
geen zorg’. En in Psalm 92 staat er van de ‘tsaddikim’,
de mens uit Psalm 1: ‘Zij zullen in de ouderdom nog vrucht dragen,
fris en groen zullen zij zijn, om te verkondigen dat de HERE waarachtig
is.’ Je eindigt niet teleurgesteld en uitgeblust, maar met een
schitterende kroon van bladeren.
ds. M. Treuren 25 september 2009
Ga
tot de mier, luiaard, zie haar wegen en word wijs !’
(Zie:
Spr. 6, vs. 6-11)
Dat is een fijne boodschap, zo op de drempel van
de vakantie. Niet te luieren, maar een vlijtige mier te zijn ! Ongetwijfeld
hebt u weleens in het bos met uw neus op een mierenhoop gestaan. Wat
een gewriemel, wat een wirwar, maar wat een verwonderlijke orde ook
in die chaos. Geen mier die schijnt te twijfelen over zijn taak.
IJverig werken. Vlijtig bezig zijn. Natuurlijk !? ‘De wereld gaat aan
vlijt ten onder’ luidt de titel van een bekend boek. Juni, eind van het
seizoen waarin er nog van alles moet, zit vol stress. Heel veel mensen werken
zich een slag in het rond. In het begin van de vakantie is het spitsuur op
de afdeling hartinfarcten en maagbloedingen. Broeder ezel, ons arme lichaam
kickt af ! En dat zou dan de wijsheid zijn die koning Salomo ons aanbeveelt
? Er nogeens een extra schep bovenop te doen ?!
Nu was het voor mij een openbaring dat je de ‘luiaard’ uit onze
tekst als iemand die ‘traag’ is, ‘nalatig’ moet zien.
Maakt dat iets uit ? Alles ! Je kunt dwangmatig aan het werk zijn, dat je het
eind niet kunt vinden. En toch: slaapwandelen ! Niet wakker zijn. Waar het
opaan komt niet inzien en doen. De workaholic in ons !
Laten
we nog eens ‘tot de mier gaan’. ‘Zij
die geen aanvoerder heeft, beambte of heerser, bereidt in de zomer
haar brood, slaat in de oogsttijd haar eten op (..)’ Het lijkt
waarempel wel alsof alles vanzelf gaat ! Alsof die hele bedrijvigheid
van buitenaf in goede banen wordt geleid. Vergelijk de mierenhoop met
ons menselijk lichaam.
Uw hart klopt aldoor. U hoeft ‘t niet dagelijks op te winden,
zoals de koekkoeksklok. In- en uitademen. Wie gezond is, staat er nauwelijks
bij stil.
De werkmieren die ervoor zorgen dat voedingsstoffen in het bloed komen en wat
schadelijk is belandt in stoelgang. Geeft u ze ooit een seintje ? En dan de
ontelbare mieren die ons geheugen vormen. Onafgebroken zijn ze in touw om onze
bewuste en onbewuste herinneringen op te slaan. En wat dacht u van uw zenuwen,
uw hormonen en chromosomen ..
Wat wil
Salomo ons toch met ‘ga tot
de mier’ zeggen ? Hij wil ons hoofd er niet mee op hol jagen.
Nee, hij wil ons wakker schudden. Uit de roes ! Erken in de mierenhoop,
je eigen lichaam, de banen van sterren en planten in de makrokosmos
en de cellen en moleculen onder de microscoop (enz..enz..!) de hand
van de Schepper. Wij hebben een Vader in de hemel die alles leidt naar
zijn raad en afstuurt op zijn Koninkrijk. Verwonder je ! Als je in
de tuin ploetert of voor je tentje zit. Erken Gods majesteit en luister.
En neem dankbaar, zonder je over de kop te werken, je bescheiden plaatsje
in.
Ik wens u verlichtende vakantiedagen toe !
ds. M. Treuren
3 juli 2009
‘Mij
dorst’ (Joh. 19, vs. 28)
In CC schreef
ik over het hert. Dat, volgens de traditie, bij het grazen giftige
slangetjes binnenkrijgt. Gif dat brandt. Dat niet te verteren
is. Het hert versmacht van dorst. De Here Jezus is als dat hert. De vele vernederingen
die Hij heeft ondergaan. De bijtende spot. De aantijgingen en laster.
Nog afgezien van het lichamelijk
lijden. Al die dingen branden in Hem, echt ‘als de hel’.
‘Mij dorst’, die woorden herinneren aan Psalm 42. ‘Gelijk
een
hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U,
o God. Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik
ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen ?’ Citaat uit
de Statenvertaling.
Over dat hert is nog iets
te zeggen. Wanneer de aarde is uitgedroogd, weet het hert met zijn
gewei en poten de onder de grond verstopte
waterbronnen te vinden en aan te boren. Het
hert drinkt niet alleen zelf. Nee, de andere dieren die ook vergaan van de
dorst profiteren mee.
Zo is het met
ons. Wij blijven in de buurt van de Here Jezus. Nu, deze avond, morgen,
met
Pasen … Waarom ? Omdat Hij stromen
van levend water opent. Door zijn bitter lijden en sterven stoot Hij
de bron van Gods overvloedige genade en liefde open. Die alleen kunnen
onze levensdorst lessen.
Er is nog een andere Psalm die in dit kruiswoord ‘Mij dorst’ wordt
vervuld. Een Psalm die steeds een rol speelt. Psalm 22. Denkt u aan de aanhef: ‘Mijn
God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten ?’ (vs.2). En aan het verdobbelen
door de soldaten van Jezus’ kleding: ‘Zij
verdelen mijn Kleding onder elkaar en werpen het lot over mijn gewaad.’ (vs.19)
Zo valt er meer
te noemen. In dit verband vs.16: ‘Verdroogd
als een scherf is mijn kracht, mijn tong kleeft aan mijn gehemelte;
in het
stof des doods legt Gij mij neer.’
De Here Jezus schreeuwt van dorst. ‘Zijn tong kleeft aan zijn
gehemelte.’ In feite kan Hij niets meer uitbrengen. Hij krijgt dan op
een hysopstengel, via een spons zure wijn te drinken. Een ‘onder
soldaten niet ongeliefde, dorststillende drank’, las ik. Waarom wil de
Here Jezus die zure wijn ?
Dat wordt meteen duidelijk. Om niet te versterven. In stilte weg
te kwijnen. Maar nog een heel belangrijk iets te zeggen. Namelijk: ‘Het
is volbracht !’ (vs.30)
Letterlijk: ‘Het is volkomen gemaakt’. Zoals God zag dat de schepping
volkomen goed was, in het begin. ‘Volkomen’, ‘heel’ of ‘gaaf’.
Het gekruisigd worden van de Here Jezus is geen
mislukking, geen nederlaag. Een falen, een niet in staat zijn om de overwinning
te brengen.
Nee, ’t is hoe haaks het ook op de feiten lijkt te staan, een
bereiken van het doel. De Schriften zijn vervuld. Jezus heeft de wil
van zijn Vader op alle momenten en in alle situaties in praktijk
gebracht. Daar mankeert niets meer aan. ‘Hij is gehoorzaam
geweest tot de dood des kruises’.
Juist zo, onder de schijn van het tegendeel, maakt Hij alles
goed. Alles heel. Verzoent Hij onze schuld. Is Hij de Leidsman ten leven. Maakt
Hij plaats voor ons in het Vaderhuis. Mislukt Hij niet,
maar stelt ons in Gods vrede.
ds. M. Treuren
8 april 2009
|
|

|