Het gebouw
In 1252 wordt al gesproken van de kerk van Pijnacker.
Hoe groot dit kerkgebouw was is niet bekend,maar het is zeer waarschijnlijk
dat deze op de zelfde plaats stond als het huidige kerkgebouw.
De toren bij de kerk was van kloostermoppen gebouwd en was waarschijnlijk bedoeld
als vluchttoren en verdedigingspunt. De hoogte van de toren was 14 meter. Rond
1550 is het kerkgebouw vergroot en de toren hoger gebouwd tot 41 meter. De
kerk stond aan de toren vast en had aan de oostzijde een groot koor. Tot de
reformatie was de kerk uiteraard een Rooms Katholieke Kerk, aanvankelijk gewijd
aan de Heilige Laurens en later aan Johannes de Doper. Na de reformatie kwam
de kerk in handen van de Hervormde gemeente.
Rond 1800, in de Franse tijd is er een hele strijd geweest over de vraag wiens
eigendom het kerkgebouw eigenlijk was.Uiteindelijk is men tot de slotsom gekomen
dat de Hervormde gemeente de meeste rechten had. Wel is in de 19e eeuw na breed
overleg tussen de R.K. en de N.H. gemeente overeenstemming over de betaling
van een koopsom, te betalen door de N.H. gemeente aan de plaatselijke R.K.
parochie.
Krachtens een decreet van Napoleon werden alle kerktorens eigendom van de gemeente
waarin zij stonden. Zo ook die van de dorpskerk in Pijnacker. Dat is zo gebleven
tot het moment dat de toren in 1940 instortte.
Zie
voor de herbouwde ‘scheve’ toren
Tot 1829 werd er in de kerk begraven. In dat jaar werd dat bij de
wet verboden. U vindt in de dorpskerk nog een groot aantal grafzerken
uit de periode tot 1829. In 1892 was de kerk aan groot onderhoud toe,
maar toen men eenmaal ging breken bleek het geheel in zo slechte staat,
dat men besloot om de hele boel maar af te breken en de kerk geheel
opnieuw op te bouwen. Alleen de pilaren en de zerken werden gespaard.
Omdat de toren toen al scheef stond werd besloten de kerk vrij van
de toren op te bouwen. Ook het koor aan de oostzijde verviel en werd
er aan die kant een consistorie gebouwd.
De mooie eiken preekstoel vond men niet passen in de nieuwe kerk. Daarom werd
die voor slechts 25,00 gulden aan een opkoper verkocht.
Van het oorspronkelijke meubilair zijn nu alleen het doophek rond de kansel
en twee wapenborden nog over.
In 1932 is de kerk uitgebreid met twee zijbeuken (transepten) en een consistoriekamer.
Daardoor kreeg de kerk dus de vorm van een kruis. Helaas ging vooral het transept
aan de zuidzijde al vrij snel verzakken, waardoor grote scheuren in de muren
ontstonden. In 1970 was men genoodzaakt om zowel binnen als buiten de gevels
palen te pulsen en daarop door de muren heen betonbalken te storten. De Kerkvoogdij
heeft toen nog getracht om van Rijksmonumenten-zorg een bijdrage te verkrijgen,
maar tevergeefs, de dorpskerk was toen nog niet een rijksmonument.
In 1995 is de consistorie aan de oostzijde van de kerk gesloopt omdat die brandgevaarlijk
en aan groot onderhoud toe was. Er is toen een nieuwe aanbouw tot stand gekomen.
Dat werd een knap staaltje van architectuur en doelmatigheid.
Het orgel van de Dorpskerk
In 1830 werd door de Amsterdamse orgelbouwer H. Knipscheer tegen de
westgevel het huidige orgel geplaatst.
De dispositie van het orgel was toen:
|
Manuaal I
Bourdon 16'
Prestant 8'
Holpijp 8'
Fluit 4'
Octaaf 4'
Octaaf 2'
Quint 2 2/3'
Cornet 3 sterk
Trompet 8'
Mixtuur 2 – 3'
|
Manuaal II
Holpijp 8'
Viola de Gamba 8'
Open fluit 4'
Quintadena 8'
Vox Celeste 8'
Koppeling Manuaal I
en manuaal II
Aangehangen pedaal
|
In 1892 werd bij de verbouwing van de kerk het orgel verplaatst naar
de oostzijde van de kerk. Bij de uitbreiding van de kerk in 1932 kwam
het orgel weer op de huidige plaats, tegen de westgevel te staan. Met
de verplaatsingen van het orgel zijn er ook nogal wat veranderingen
aangebracht. De deskundige van Rijksmonumentenzorg die in 1965 op verzoek
van de Synodale Orgelcommissie het orgel kwam bekijken, gaf er blijk
van dat het orgel voor Rijksmonumentenzorg geen interessant object
was. Het orgel verkeerde toen echter in slechte staat en was hard aan
een restauratiebeurt toe. Er is toen besloten om het orgel om te bouwen
en uit te breiden. Dit werk is uitgevoerd door orgelbouwer J. van der
Linden, het geheel onder supervisie van de door de Synodale Orgelcommissie
benoemde adviseur W.R.Talsma.
Op 27 april 1967 werd het orgel weer in gebruik genomen.
In de jaren daarna is het orgel verder uitgebouwd en sinds 1984 is
de dispositie als volgt:
|
Manuaal I:
Bourdon 16'
Prestant 8'
Holpijp 8'
Octaaf 4'
Fluit 4'
Quint 2 2/3'
Octaaf 2'
Sesqualter 2 st.
Mixtuur 5 st.
Trompet 8'
|
Manuaal II:
Holpijp 8'
Quinttadena 8'
Prestant 4'
Open fluit 4'
Gemshoorn 2'
Quint 1 1/3'
Dulciaan 8'
Tremulant
|
Manuaal III:
Baarpijp 8'
Gamba 8'
Celeste 8'
Gemshoorn 4'
Nasard 2 2/3'
Woudfluit 2'
Cymbel 3-4 st.
Hobo 8'
Tremulant
|
|
Pedaal:
Subbas 16'
Prestant 8'
Gedekt 8'
Octaaf 4'
Bazuin 16'
|
Koppeling:
Manuaal
I – II
Manuaal I – III
Manuaal I – Pedaal
Manuaal II - Pedaal
|
|
Wat doet organist Hans Smaal in het dagelijks
leven?
naar boven
|